
Het komende voorjaar vuren nogal wat vooraanstaande dichters nieuw werk op ons af. Eén van de boeken die het debat intussen al aanport is
Geert Buelens’ essaybundel
Oneigenlijk gebruik. Over de betekenis van poëzie waarin hij zich via diverse kronkelwegen buigt over de vraag wat poëzie eigenlijk betekent (Vantilt). Van de afscheidnemende Antwerpse stadsdichter
Bart Moeyaert verscheen zopas
Gedichten voor gelukkige mensen (Querido) met poëzie die “ruim zicht” biedt “op de buitenwereld: op kunst, liefde en literatuur, maar ook op onverdraagzaamheid en ongastvrijheid.” Moeyaerts Antwerpse stadsgedichten zijn inbegrepen.
Meer Vlaamse dichterstenoren laten dit voorjaar van zich horen. De niet voor een gat te vangen
Peter Holvoet-Hanssen zorgt in april voor ontregeling en taalgekletter in
Navagio. Wrakhoutgedichten (Prometheus), “het slot van een poëziereis”, waarin “wrakhoutwoorden voorbij drijven in een dodenstad.”
Peter Verhelst wendt zich na de prozakolos
Zwerm opnieuw tot de poëzie in de bundel
Nieuwe sterrenbeelden (Prometheus, februari).
Luuk Gruwez is na 35 jaar schrijverschap op diverse fronten nu toe aan zijn tiende dichtbundel:
Lagerwal, “ongewoon helder en alledaags”, maar ook “sierlijk en bij vlagen barok van toon”, aldus de aankondiging (Arbeiderspers, maart).

Bij Querido is er veel Nederlandse poëzie:
Leo Vroman met gedichten over de naderende dood (
Nee, nog niet dood, februari),
Toon Tellegen (
Hemels en vergeefs, februari),
Astrid Lampe (
Park Slope) en
Kees ’t Hart (
Ik weet nu alles weer, maart). De nieuwe Amsterdamse stadsdichter
Robert Anker bundelt zijn poëzie van de laatste decennia in
Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006.
Woelwater
Ilja Leonard Pfeijffer vond het wenselijk om na tien jaar dokkeren door de stijlkamers van de Nederlandse poëzie even gas terug te nemen en brengt onder de titel
De man van vele manieren zijn Verzamelde gedichten uit (Arbeiderspers, mei), weliswaar vergezeld van “een niet te zuinig uitgevallen nieuwe bundel”.
Blikvangers bij De Bezige Bij zijn
H.H. Ter Balkt (Vuur, februari),
Hagar Peeters en
Loper van licht (januari) én – eindelijk, zou je kunnen zeggen -
Made in Rotterdam, de verzamelde gedichten van het fenomeen
C.B. Vaandrager (1935-1992), voor wie de stad tegelijk “een bron van verrukking en verschrikking” was (maart).
Ingmar Heytze publiceert bij Podium zijn achtste bundel:
Elders in de wereld (februari).
Debuteren doen onder meer de Vlaamse poëzieperformer
Stijn Vranken met
Vlees mij! (Meulenhoff/Manteau) en de Nederlanders
Martijn Benders met
Karavanserai (Nieuw Amsterdam, april) en
Annemieke Gerrist met
Waar is een huis (De Bezige Bij, februari). Ook de Nederlands-Vlaamse prozaïst
Willem van Zadelhoff zet zijn eerste poëtische schreden met
Tijd en landen (Meulenhoff/Manteau, april).
Onvermoeibaar bloemlezer
Gerrit Komrij zamelde in
Komrij's canon, honderd onontkoombare gedichten uit de Nederlandse Poëzie “essentiële vaderlandse gedichten” bijeen (Prometheus, januari). Vlot over de toonbank in Vlaanderen gaat allicht de bloemlezing
Dag vrienden van de poëzie van poëziepopularisator en comedyman
Wim Helsen (Meulenhoff/Manteau, februari), die ook zal detecteren wat hem aan poëzie fascineert.
Meulenhoff heeft zopas een bloemlezing sms-gedichten gepubliceerd:
160 tekens inclusief wit (met oa. poëzie van Leo Vroman) én brengt
Huub Beurskens’ vertaling van de
Statische gedichten van
Gottfried Benn uit 1948 (februari). Ongetwijfeld een monument wordt
Peter Versteegens vertaling van de 366 gedichten uit
Canzoniere (Het liedboek) van
Petrarca voor de Gouden Reeks van Athenaeum-Polak en Van Gennep (april). [foto C.B. Vaandrager - foto 2 Robert Anker door Leo van der Noort, Querido]
Er werden nog geen reacties geplaatst.