Literair supplement - aflevering 62

Het weekoverzicht van de belangrijkste literatuurrecensies- en interviews uit kranten- en weekbladen in Nederland en Vlaanderen. In samenwerking met Athenaeum Boekhandel in Amsterdam.  De meeste bijlagen zijn iets minder gestoffeerd dan gewoonlijk, ook twee specials  deze week, Vrij Nederland over seks in de literatuur en De Groene met een eetnummer.

 

"Hoeveel moeder kan een zoon verdragen?" is de vraag die voor Standaard der Letteren recensent  Willem Van Zadelhoff opduikt bij het lezen van Rust van de Hongaarse auteur Attila Bartis. Die schreef "een rijke roman waarin geen woord teveel staat". Kathy Mathys heeft het kort over Generatie A, de nieuwste van Douglas Coupland vindt ze weinig verrassend. Kathy Mathys had ook een gesprek met Lydia Davis en looft haar korte verhalen, gebundeld in Bezoek aan haar man en andere verhalen. De auteur over haar werk: "Ik vind een naamloze verteller die vanaf de eerste zin hardop denkt, de natuurlijkste vorm die er bestaat.(...) Je beschrijft de kronkels van de menselijke geest waarbij gedachten verspringen en door elkaar lopen."
Verder vinden we in deze vrij korte  boekenbijlage nog De onzichtbare gorilla van de psychologen Christopher Chabris en Daniel Simons als aanrader van de week en recensies van prentenboeken. In de vakantierubriek De ingeving benoemt Bernard Dewulf zijn bureau als belangrijkste inspiratieplek, de mogelijkheid om daar niets te doen of wat te lummelen biedt "toch wel een kleine zekerheid dat daar iets uit zal komen".

 

Dirk Leyman las voor De Morgen een P.F. Thomése (foto) "in optima forma". Die kijkt in Grillroom Jeruzalem, zijn satirisch relaas van een schrijvers-Palestinareis, "hoogst onbevangen  en oneerbiedig naar wat men hem voorschotelt". Leyman stelt vast: "Thomése mag dan ietwat spotziek zijn, hij heeft wél een alziend oog voor de ongerijmdheden van de Israëlische bezettingspolitiek en de diepgewortelde wederzijdse haat".

Het uitgangspunt van Porta Romana van Robbert Welagen "is uitgesproken Modianesk en omgeven met een zweem van mysterie' maar deze roman over een man met een geheugendefect is voor Dirk Leyman "een elegante surplace, een al te kabbelende zee". Verder besteedt de recensent  kort aandacht aan Jij hebt iets leuks over je, de gebundelde columns van Esther Gerritsen ("Gerritsen mag graag naar het grotere geheel kijken. Soms lukt dat, een andere keer zijn de beschouwingen te egotripperig of te vlak"), bespreekt hij Het reuzenrad van Frederick Morel (die weet "regelmatig een sensibele wereld op te roepen waar je gewillig in mee stapt, maar zijn stijl laat te wensen over en de dialogen klinken houterig") en vraagt hij zich af of Anil Ramdas voor zijn kloeke nieuwe roman Badal niet beter had gekozen voor de memoirevorm.

Drie poëzierecensies van Paul Demets naast elkaar. Over Het hebben van een schaduw van Hester Knibbe: "De kracht van haar poëzie zit in die gedichten waarin ze de dreiging van het verdwijnen en de dood niet expliciteert, maar de onzegbare en onvatbare kanten van die alles overstijgende elementen op een subtiele manier open houdt in verzen die zich niet eenduidig laten interpreteren". De 75-jarige K. Schippers heeft in Tellen en wegen "de frisse blik van een jongetje behouden, dat dingen ziet die anderen niet opmerken. Hij blijft zich verbazen". En de "avontuurlijke" Arnaud van Adrichem trakteert de lezer in Een veelvoud daarvan "op een woud van betekenissen".

Elders ook een gesprek van Marnix Verplancke met Francis Spufford, die schreef met  De rode belofte  "een soort geschiedenisboek" over de Sovjets en hun planeconomie.

 

 

Anniek van den Brand bezocht voor Trouw een lezing van Geert Kimpen (foto).

"Ik ben zo aards als wat, maar veel journalisten zijn cynisch over religie, over spiritualiteit. [...] Het erge is: ik herken die houding. Toen ik in de theaterwereld zat, durfde ik ook niet te bekennen dat spiritualiteit me al mijn leven lang boeit." In de boekenpagina's karakteriseert Jos Palm Jeruzalemreizigers P.F. Thomése en Abdelkader Benali als "fellow-travellers van de Europese onthandheid met dat kleine stukje aarde". En hij citeert: ""Om God zijn zin gedaan te krijgen moet je wel een rotzak worden, dat is de oosterse paradox", concludeert [Thomése]. In de heilige stad, schrijft Benali, is "het elkaar dood wensen tot een hoge kunst verheven, het is een van de laatste plekken op aarde waar het middeleeuwse denken van harte wordt aangemoedigd"."
Janita Monna las De rokkenjager en diens bijdehante tante, en stelt vast: "Het Nobelprijscomité roemde Herta Müllers werk omdat het de concentratie had van poëzie. Juist door haar collagetechniek weet Müller die concentratie per woord te versterken. Dit is niet zomaar creatief knutselwerk, dit zijn gedichten met een huiveringwekkende noodzaak." Carl Friedman dan, over De avonturen van Kornél Esti: "Opnieuw vermengt de schrijven daarin werkelijkheid en absurditeit zo geraffineerd dat een volstrekt eigenzinnige logica ontstaat." De bundel bevat zeventien verhalen, en "allemaal zijn ze briljant". En arme Leonie Breebaart moest de nieuwe Tatiana de Rosnay lezen. "... de manier waarop deze Rose haar (inmiddels overleden) man per brief toespreekt over de afschuwelijke aanranding van het pittoreske Parijs 'waar hij zo van hield' is zo suikerzoet dat de brokjes horror erbij in het niet vallen".


Een iets minder boekige komkommerbijlage van de Volkskrant dan vorige week, van vier pagina's ( nog altijd meer dan Het Parool en Trouw), met amper literatuur. Korte besprekingen dan van Het lekkere van pesten door Edward van de Vendel & Julian van Dalen, Damon Galguts In een vreemde kamer, Émile Zola's Hoe men sterft en het jubileumnummer van het Historisch Nieuwsblad. En Pjotr van Lenteren over Per Olov Enquists jeugdboek Opa en het geheim van de smokkelaars, dat "laat zien waar kinderboeken - in elk geval in de zomer - eigenlijk over horen te gaan".
Hans Bouman, ten slotte, prijst Graham Swifts Was je maar hier. "Samengevat in een paar honderd woorden, lijkt deze roman een aaneenschakeling van dramatische gebeurtenissen. In werkelijkheid vraagt Swifts terloopse, omzichtige, met poëzie en ironie doordrenkte verteltrant juist een zeker geduld van de lezer. Die vervolgens wordt beloond met inzicht en begrip, niet met spanning en sensatie."


Thomas Rosenbooms hertaling van Jacob Haafners Reize in eenen palanquin,

Exotische liefde, wordt in NRC Handelsblad geprezen door Guus Middag: "Het is een geweldig boek. De schrijver laat zich door de wereld dragen en beschrijft wat er onderweg gebeurt. Het is het eenvoudige recept voor een spannend en levendig boek, als je tenminste, zoals Haafner, geneigd bent veel na te denken over alles wat je ziet."
Györgyi Dandoy leest tijdgenoten Gyula Krúdy en Deszö Kosztolányi. "Krúdy's stijl is moeilijk in een stroming te plaatsen, hij vormde een stroming in zijn eentje: romantiek, realisme, impressionisme hebben sporen nagelaten, maar ook de esoterie en de nieuwste inzichten van de psychoanalyse kwamen hem van pas." En over een van de verhalen in de Kosztolányi-bundel: "Op nog geen tien pagina"s krijgen we een analyse van twee hermetisch van elkaar afgezonderde werelden, en toch geen cynisch einde, maar bescheiden, milde hoop."

Milena Agus "besluipt in haar kleine boek" Gravin van de hemel "de teleurstelling", stelt Joyce Roodnat vast, en Marco Kamphuis legt de romans van Stefan Kiesbye en Giorgio Vasta naast elkaar: "In Een meisje van hiernaast is de wereld lelijk en wreed, maar het verteltalent van Stefan Kiesbye geeft er een eigen bekoring aan." En: "Na bladzijde 125 blijft De materiële tijd weliswaar een prikkelende, eigenzinnige roman, maar de schrijver is de controle kwijt."


"Schrijven over seks is een fuik voor de krabbelaars en een meesterproef voor de schrijvers. Seks mag in de samenleving nog zo gewoon zijn, literair moet seks juist ongewoon (verbeeld) zijn," betoogt Jeroen Vullings in een essay in Vrij Nederland dat van Peter Buwalda ("spannend en dampend") via James Worthy ("geeuwverwerkkend gewoon") naar de bloemlezing Hard en teder, Heleen van Royens Zomerboek, Oek de Jong, A.F.Th. van der Heijden naar Gerard Reve. Bij die laatste gaat het in Lieve jongens volgens Vullings om "de vertelkunst zelf, de wijze waarop het vertelde geladen wordt, hoe spanning aangebracht wordt". Dan: de beste literaire seksscènes. Sander Pleij bevroeg een aantal schrijvers naar de beste literaire seksscènes, en belooft dat de komende weken daarvan afleveringen in VN verschijnen. Drie van hen (Rob Schouten, Allard Schröder en Maarten "t Hart, (oud-)scribenten van het weekblad) komen met Van der Heijden, een andere recensent van het blad, Kristien Hemmerechts, waardeert haar eigen werk wel en dat van Jenny Diski. En seks en (Nederlandse) poëzie? Rob Schouten leest Jules Deelders "Kutgedicht", post-coïtale poëzie van Pfeijffer en Gerbrandy, voyeurs als Dick Hillenius en Remco Campert, en dichteressen met humor: Anne Vegter, Mickey Walvisch, Elma van Haren en Astrid Lampe.


In Het Parool schetst Joukje Akveld een portret van "drie nieuwe humoristen voor kinderen", opvolgers van Annie M.G. Schmidt, "veel Hollandser en humoristischer kun je het niet krijgen in de kinderliteratuur". Arie Storm, vervolgens, over Charles Yu's Veilig leven in een sciencefiction wereld, "een soms zeer zweterig, maar vooral geweldig boek", en Dirk-Jan Arensman over Lloyd Jones' Tweedehands wereld, dat "gedurfder in elkaar zit" dan Mister Pip, totdat de auteur met onthullen begint. En Guus Luijters, ten slotte, over Vladimir Odojevski's Het jaar 4338: "Eerlijk gezegd heb ik geen idee waarover Het jaar 4338 eigenlijk gaat. Is het humor, satire, een parodie?"

 

Geen Dichters & Denkers in het speciale eetnummer van De Groene Amsterdammer, maar wel Marja Pruis over de opkomst van de gastroseksueel (o.a. over "de vrouw die met alles wat ze in huis heeft, figuurlijk, een taart aan het bakken is. De wereld om haar heen kan instorten, die taart moet perfect zijn" bij Michael Cunningham), Hassan Bahara over de ramadan, Martin Simek in gesprek met Martin Simek, en Piet Gerbrandy over "het indrukwekkendste gedicht uit de Latijnse literatuur", De Georgica van Vergilius. "Geschreven omstreeks 30 voor Christus, wanneer er een einde lijkt te zijn gekomen aan een reeks bloedige burgeroorlogen, zoekt het gedicht naar een draaglijk leven in een wereld van storm, droogte, geweld en decadentie."
En Kees 't Hart over eten en literatuur. "Bij Gerard Reve is eten bijvoorbeeld altijd met vrees verbonden. Zien eten boezemt zijn personages onbegrijpelijke angst in. "Hij is een dier dat snoept," zegt de hoofdpersoon uit Werther Nieland wanneer hij Werther voor het eerst ziet, hij is bang voor hem, tegelijkertijd is hij gefascineerd." En: "We kennen onze pappenheimers wanneer er in een roman wordt gegeten. Nu komt het spel op de wagen, weten we, nu worden de machtsverhoudingen duidelijk, nu komt de waarheid eindelijk boven tafel." Met voorbeelden uit het werk van Reve, Wolkers, Petry, Koch, Bronte, Frank Martinus Arion, Kellendonk, Slot en Zola.


In Elsevier gaat Hugo Camps in gesprek met wielrenliefhebber Dimitri Verhulst. "Ik vind dat ik meer verstand heb van de koers dan van literatuur, maar ik kan beter schrijven dan wielrennen." Maar ook: "Het had wel iets om miskend te zijn. Het grote gelijk van de miskenden ben ik kwijt."

 

Tags: Literair supplement
Geplaatst door Johan Eeckhout/Daan Stoffelsen op 24-07-2011
Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening