Literair supplement - aflevering 60

Het weekoverzicht van de belangrijkste literatuurrecensies- en interviews uit kranten- en weekbladen in Nederland en Vlaanderen. In samenwerking met Athenaeum Boekhandel in Amsterdam. Met onder meer  aandacht voor Giorgio Vasta, James Frey, Robert Anker, Jevgeni Zamjatin, Richard Russo en vele anderen.

 

Voor Uitgelezen, de  boekenpagina's van De Morgen, roept Joost Houtman De materiële tijd van Giorgio Vasta uit tot boek van de week met als motivatie: "Zelden ons zo gewenteld in ongemakkelijkheid. Een indrukwekkend debuut. Een ijskoud taalbad". Meer dan provocatie alleen, oordeelt Marnix Verplancke over Het laatste testament van de Bijbel, de "rauwe ontluisterende" roman waarin James Frey zijn hoofdpersoon laat uitgroeien tot een nieuwe Messias in New York. Paul Demets zag geen "zweverigheid of naiëve aanbidding" in Gerichte gedichten van de tot het christendom bekeerde Willem Jan Otten, die "dicht associatief en stapelt beelden op die mooi met elkaar verbonden zijn". Elders nog heel kort aandacht voor De verdwijntruc van Haley Tanner, De drie zusjes van Alice Hoffman en Liefde kent veertig regels van Elif Shafak.

 

Boek van de week in Knack is De kaart en het gebied van Michel Houellebecq:

"Een overwegend melancholische, bijwijlen grappige, maar steeds weer scherpe  analyse van 's mens eeuwige zoektocht naar zingeving", luidt het slotoordeel van Bart van Loo. In Kort gaat de aandacht van Bart Van der Straeten uit naar de bundel Tellen en wegen van K. Schippers (foto)  ("een fascinerend conceptueel werkstuk vol wiskundekunst, een vorm van artistiek onderzoek naar wat er is en hoe dat verandert als wij ernaar kijken") en duidt Jan Stevens het hoogtepunt aan in De zomer zonder mannen van Siri Hustvedt: "een hilarische bespiegeling over wat mannen tot mannen en wat vrouwen tot vrouwen maakt."  


Een interview met Richard Russo  (foto) van Kathy Mathys opent het literaire luik van de Standaard der Letteren. De auteur van Empire falls en het nu verschenen Schadevolle jaren stelt: "'Als je naar mijn boeken kijkt, merk je dat ik altijd geïnteresseerd ben geweest in de Amerikaanse droom en in de manier waarop ouders de dromen van hun kinderen willen beïnvloeden, opeisen zelfs. In mijn romans is er dikwijls verwarring over wiens droom het nu eigenlijk is, die van het kind of die van de ouder". Peter Jacobs las beide vertalingen van Het jaar 4338, de onaffe toekomstfantasie van de Russiche schrijver Vladimir Odjevski, tijdgenoot van Gogol en Poesjkin. "Een utopisch verhaal van ongebreidelde vooruitgang. Alleen lijkt de menselijke warmte op een lager pitje te staan (..) Een leuk staaltje van sciencefiction, een curiosum" stelt de recensent vast, die beide vertalingen als vlot leesbaar aanduidt. Daartegenover een recensie van Wij, de dystopie van Jevgeni Zamjatin, door John Vervoort: "een pleidooi voor de verbeelding en tegen de verstarring die vooral door de angst wordt geregeerd".
Verder heeft Kathy Mathys weinig goeds over voor Het laatste testament van de Bijbel van James Frey ("Dit messiasverhaal laat je niet één keer uit je stoel opveren") en kent Alexander Van Caeneghem drie sterren toe aan De kinderen van de olifant van Peter Høeg: "Ingewikkeld en soms warrig" maar Høegs' "vermogen tot schaamteloos ongebreidelde fantasie is onaangetast". Uit de zomerreeks De ingeving, schrijvers en hun inspirerende plekken, leren we dat Yves Petry door wandelen, fietsen en stilzitten in het Meerdaalwoud de juiste geesteshouding vindt.

 

In het tweede katern van Trouw gaat Joost van Velzen in gesprek met Thomas Blondeau, naar aanleiding van de door hem samengestelde erotische bloemlezing Hard en teder. Wat is de functie van erotiek? “... erotiek in de literatuur kweekt empathie. In de bundel staat bijvoorbeeld een verhaal over een vrouw van 73 die een gigolo bestelt. Dat leert ons iets over de seksualiteitsbeleving van een vrouw op leeftijd. Het is ook een vorm van kennisoverdracht. Dat is de belangrijkste functie van literatuur. Of het nu over neuken of praten gaat.” Robert Ankers Oorlogshond prijkt op de eerste boekenpagina. Rob Schouten is uiterst enthousiast: “En zo gaat Oorlogshond met z”n drie zo verschillende brandhaarden in wezen over woede en strijd, en is het daarmee een hedendaagse variant van Homerus' Ilias, dat exemplarische oorlogsboek. Aldus verheft Anker zich boven de alledaagse werkelijkheid en dat zou je hem kunnen verwijten: dat hij met zijn virtuoze pen geen werkelijk engagement bedrijft. Anderzijds benadrukt hij juist de tijdloze aspecten van het menselijk bedrijf, en heeft zijn roman, hoe jachtig en film-achtig ook, iets filosofisch dat mij althans bijzonder aanspreekt".

Op de twee resterende zomerse boekenpagina's: Ger Leppers over Jean-Marie Blas de Robles' Middernachtsberg (“qua omvang is het boek dan wel geringer dan Roblès' vorige roman, qua ambitie zeker niet”), Bart Braun over Ray Kurzweils De singulariteit is nabij (“een belangrijk boek, vol grote gedachten en verregaande implicaties. Het is dan ook zonde dat we vijf jaar moesten wachten op een Nederlandse vertaling: het boek voorspelt een toekomst die deels al verleden tijd is”) en Hans Dijkhuis ten slotte over Sloterdijks Je moet je leven veranderen. “Religie is maar een van de vele onderwerpen die Sloterdijk behandelt; ook zaken als invaliditeit, sport, kunst en onderwijs worden op vaak verrassende wijze in een nieuw daglicht gesteld, en geven een nieuw en verrassend beeld van de moderne tijd. Ik ken geen andere hedendaagse filosoof bij wie zo'n grote rijkdom aan intrigerende gedachten en treffende observaties is te vinden.”

 

Ariejan Korteweg opent de (nog niet tot zomerdikte uitgedunde) boekenbijlage van de Volkskrant met Lorànt Deutsch' Métronome, “een boek over Parijs in een vorm die nooit eerder vertoond is. Hij vertelt de geschiedenis aan de hand van metrostations, en elk station staat voor een eeuw”. Korte besprekingen die gezien het sterrental (telkens niet onder de vier, eenmaal vijf sterren, voor De engelenclub) best wat langer hadden gemogen: Daniëlle Serdijn over de correspondentie tussen Hermans en Bordewijk (“een gepolijste correspondentie”), Peter Swanborn over Luis Fernando Verissimo's De engelenclub (“Het knappe van De engelenclub is dat de spanning alleen maar toeneemt. [...] Alleen een meesterlijk schrijver weet het antwoord te benoemen en tegelijk het raadsel intact te laten.”), Hans Bouman over de iPad-app die gemaakt is rond T.S. Eliots The Waste Land (“geeft een idee van hoe de ontmoeting van gadgets en literatuur wel degelijk iets moois kan opleveren”) en Jan Luijten over Stephan Thomes Weidmanns redding (“mooi geschreven en knap gecomponeerd”). Groot op de middenpagina: Leen Vervaeke in gesprek met stripjournalist Joe Sacco: “Ja, achteraf bekeken is stripjournalistiek een geniaal idee. Maar dat was dus allemaal niet gepland, zegt Sacco, aan de telefoon vanuit zijn woonplaats Portland, Oregon. "Het begon heel organisch, zonder enige theorie". Jannah Loontjes vervolgens, over Peter Høegs De kinderen van de olifantenhoeders (“De fantasievolle, eigenzinnige typeringen waarmee Peter zijn naasten beschrijft, geven deze roman een eigen smaak.”) en Daniëlle Serdijn, niet zo enthousiast, over Robert Ankers Oorlogshond (“Een feest is Oorlogshond derhalve niet, meer een pijnlijke confrontatie. Wij deugen niet, is de boodschap.”), om te besluiten met de jeugdroman Prikkeldraad van Derk Visser. Pjotr van Lenteren daarover: “Het werk van Visser staat op zichzelf en verdient veel meer aandacht dan het tot nu toe gekregen heeft. Lees die man.”

 

In NRC Boeken een uitgebreide analyse van de fusie tussen De Arbeiderspers en A.W. Bruna, en de ontwikkelingen in de uitgeverswereld door Maartje Somers. Arjen Fortuin interviewt Arnon Grunberg: “Ik hoop dat ik beter word en ik denk ook wel dat ik beter word. Maar het is vreemd om een balans op te maken. Elk boek is een project, waarbij je kennis opdoet voor het project daarna. Ze beïnvloeden elkaar. Na Onze oom wilde ik iets lichters schrijven, een komedie.” En over zijn thematiek: “Mensen weten niet waardoor ze geregeerd worden. Datis voor een roman een heel plausibele aanname. Ik denk dat wij in onze samenleving heel erg doe n alsof we weten wat ons drijft, dat hebben we nodig. Een roman kan die illusies onderzoeken.” Sebastiaan Kort vervolgens leest Ann De Craemers romandebuut Vurige tongen: “Af en toe leef je op wanneer De Craemer een fraaie zin schrijft. Maar dat is niet genoeg om de ouwelijk aandoende grondtoon van deze in de verleden tijd geschreven vertelling te redden.” En Janet Luis  bestempelt Robert Ankers Oorlogshond als “een in alle opzichten strijdlustige en uitdagende, zij het ook nogal wispelturige roman”.

Margot Dijkgraaf leest Paris-Brest van Tanguy-Viel: “Waarin Viel vooral excelleert is – en in dit opzicht is hij verwant aan die andere grote verteller van familiegeschiedenissen, Jean Rouaud – in het oproepen van een sfeer:  een

woning aan zee, een rusthuis voor oud-mariniers, wind, eenzaamheid, dorpsroddel en broedervriendschap.” 

Bas Heijnes bespreking, vervolgens, van The  Stranger's Child begint: “Of de nieuwe roman van Alan Hollinghurst (foto) een meesterwerk is, moet de tijd uitwijzen – meesterlijk vind ik hem in ieder geval"; En: “De tragiek van The Stranger's Child schuilt in de onbeheersbare tijd, het onvermogen van mensen om hun eigen levens te doorgronden.”

 

Naar aanleiding van het overlijden van Paul Goeken, die Suzanne Vermeer 

bleek te zijn, schrijft Maarten Moll in Het Parool over pseudoniemen. “Natuurlijk is ook geld een motief geweest om voor een vrouwennaam te kiezen. Kwestie van marktwerking.” Van marketing, bedoelt hij, en daarmee zijn de meeste recente gevallen van het gebruik van pseudoniemen wel verklaard. Er zijn ook recensies. Jasper Henderson over Robert Ankers nieuwste roman Oorlogshond, “een voortrazend boek in een maar al te actueel decor; een avonturenroman, pamflet en heldenepos ineen, dat zowel vermaakt als tot nadenken stemt. Prachtig”. Dirk-Jan Arensman vindt Hannah Pittards Het lot van Nora Lindell “een bovengemiddeld sterk debuut”, Guus Luijters leest “proza van de bovenste plank” in Vsevolod Garsjins De beren en andere verhalen, en Arie Storm kraakt Toine Heijmans' Op zee (“Literatuur voor volwassen mensen is het echter nergens geworden. Helaas.”). Thomas Verbogt, ten slotte, vult een hele pagina over tweederde van James Frey's Het laatste testament van de Bijbel. “De roman zit vernuftig in elkaar, is spannend, meeslepend ook, maar na ongeveer tweederde hield ik het voor gezien. Dan wordt het verhaal te zweverig.”

 

En in Dichters & Denkers in De Groene Amsterdammer: Maria Vlaar combineert in één stuk Karel Capek, Oorlog met de salamanders (“een vermakelijk boek, dat modern is en toch stevig wortelt in de achttiende-eeuwse  romantraditie van Laurence Sterne (Tristam Shandy) en Jonathan Swift (Gulliver's reizen) en de “klassieker” van Jevgeni Zamjatin, Wij. Lynn Berger vervolgens over Ann Packers Swim Back to Me en haar universum. “Dat bestaat uit rafeligheid, scheefheid, onafheid: de dingen kloppen niet, en dat hoort zo.” En Marja Pruis over Grillroom Jeruzalem van P.F. Thomése (“Een frisse blik op wat Thomése zelf niet nalaat te kenschetsen als "de grootste poppenkast op aarde", zeker als die zo gestileerd vorm krijgt als hier, leidt niet zozeer tot nieuwe inzichten in een eeuwigdurend conflict als wel tot wrange scènes, sterke beelden, gulle lach. Een journalistiek genre krijgt bij Thomése een literair gezicht.”) en Op zee van Toine Heijmans.

Tags: Literair supplement
Geplaatst door Johan Eeckhout/Daan Stoffelsen op 10-07-2011
Verwante berichten
Reacties
Er werden nog geen reacties geplaatst.
Geef uw mening